Wie durft ‘acuut’ deltaplan te kraken? |
Van onze verslaggever Marcel van Lieshout |
Achtergrond
AMSTERDAM. Bij alle lof die de Deltacommissie woensdag ontving voor het rapport Samen werken met water, klinken nu ook voor - zichtig kritische geluiden. Die gaan over de kosten van de door de commissie bepleite maatregelen (ruim een miljard euro per jaar) en over de vraag of al dat geld louter de veiligheid dient. Nog zo’n vraag: is een verbreding van de Zuid-Hollandse kust met honderden meters strand noodzakelijk voor de veiligheid, of wordt die meer ingegeven door de wens in dat gebied nieuwe economische activiteit (toerisme, wonen aan het water) te ontplooien? Volgens waterbouwkundige Han Vrijling van de TU Delft is zo'n drastische ingreep als de Deltacommissie voorstelt vanuit veiligheidsoogpunt helemaal niet nodig. Hij voegt er onmiddellijk aan toe dat de commissie er terecht op hamert dat Nederland veel maatregelen moet treffen, te beginnen met achterstallig dijkonderhoud. ‘Die maatregelen had de politiek allang moeten treffen’, vindt Huib de Vriendt, directeur van water - bouwkundig instituut Deltares. Hij is ‘erg blij’ met het rapport van de Deltacommissie, maar wijst erop dat de politiek nu de daad bij het woord moet voegen. ‘Dit is een politieke commissie. Als we nu dijken hoger maken dan strikt noodzakelijk, dan staat er meteen een klagende burger bij de Raad van State. Om dat te voorkomen moet de politiek een wettelijk kader maken. Als je constateert dat er meer ruimte moet komen voor de rivieren, moet de politiek voorkomen dat je je in die gebieden uitlevert aan grondspeculanten.’ Een relativerend woord komt van Dik Roth, cultureel antropoloog van Wageningen Universiteit, die veel publiceert over watervraagstukken. Politici hebben opvallend positief gereageerd op de aanbevelingen van de Deltacommissie, maar als het om nationale veiligheid gaat moet er een afweging worden gemaakt met andere maatschappelijke kwesties waarbij die veiligheid eveneens in het geding is, vindt hij. ‘Je krijgt het beeld dat een probleem zo wordt gedefinieerd dat het zó groot is, dat normale, politieke afwegingen kennelijk afwegingen kennelijk niet meer gepast zijn. Het lijkt allemaal te belangrijk om van relative - ring te voorzien. Ik zie veel positiefs in de voorstellen van de com - missie, maar je moet ook nog wel kritische vragen durven stellen.’ Zo’n vraag zou kunnen zijn: stelt de Deltacommissie de zaken niet al te somber voor? Hoe kan het dat de commissie een veel hogere zeespiegelstijging voorziet dan de klimatologen van het KNMI? Bij het KNMI wordt daar geen punt van gemaakt. De verschillen – het KNMI zegt: een stijging van maximaal 85 centimeter in de komende eeuw, de Deltacommissie: 130 centimeter – zijn ‘verklaarbaar’. Allereerst gaat het om andere rekenmethoden, stelt het weerinstituut: de KNMI heeft de voorziene bodemdaling niet meegerekend. Vervolgens: de Deltacommissie gaat uit van de extreemste schattingen van temperatuurstijgingen en van snellere afkalving van de Groenlandse en Antarctische ijskappen. Het KNMI benadrukt dat voortschrijdend inzicht in klimaatveranderingen te nemen maatregelen altijd beïnvloedt. Die reactie lijkt aan te sluiten bij wat Dik Roth als een bedreiging beschouwt voor de politieke discussie. ‘Iedereen wil dolgraag alle risico’s uitsluiten. Maar kan dat? Als je zegt dat we acuut moeten handelen, wie durft dan nog een kanttekeningetje te plaatsen?’ Een kritisch geluid komt vermoedelijk niet van baggeraars en bouwers. Die kwamen al adem te kort om Veerman te prijzen. Zelfs nu de Deltacommissie weinig lovend is over inpoldering van stukken Noordzee of de aanleg van een eiland. Mogelijk dat zij al nieuwe kansen zien: als het peil van het IJsselmeer inderdaad met anderhalve meter wordt verhoogd en het Markermeer ervan wordt losgekoppeld, lijkt de vervolmaking van ingenieur Lely’s plannen alsnog in beeld te komen: de Markerwaard. |