Provincie proeftuin zeeweringen
Door Rinus Antonisse
MIDDELBURG - De provincie wil aanleg van getijdennatuur langs de Westerschelde koppelen aan nieuwe vormen van kustverdediging. „Zeeland als laboratorium voor nieuwe ideeën op het gebied van veiligheid tegen overstromingen“, zei gedeputeerde M. Kramer (PvdA, natuur en water) gisteren in Middelburg.
Hij wees erop dat Zeeland door de Deltawerken al de etalage van waterbouwend Nederland is. Er breekt een nieuwe ronde aan: herstel van de nadelige gevolgen van het Deltaplan en ontpolderingen langs de Westerschelde. „We gaan weer aan de slag met het verschuiven van dijken“, aldus Kramer.
Hij doelde niet alleen op aanleg van nieuwe natuur langs de Westerschelde, maar ook op de aanpak van zogenaamde ’zwakke schakels’ in de kustverdediging (West-Zeeuws-Vlaanderen en de zuidkant van Walcheren). Ook hier is volgens hem ruimte voor spraakmakende ideeën, zoals het combineren van de zeewering met natuur en recreatieve voorzieningen.
Verst gevorderd
De gedeputeerde overlegde daarover, na de ondertekening van vier Scheldeverdragen tussen Nederland en Vlaanderen, met staatssecretaris Schultz van Haegen (VVD, Verkeer en Waterstaat). Het plan voor de kuststrook van West-Zeeuws- Vlaanderen is nationaal gezien het verst gevorderd. Afgesproken is dat de provincie zo snel mogelijk een overeenkomst sluit met het Rijk (drie ministeries) om alle bureaucratische hobbels uit de weg te ruimen. Als het plan rond is, komt de staatssecretaris meteen met geld uit de pot zwakke schakels over de brug, stelde Kramer.
Hij ontmoette bij Schultz van Haegen bijval voor de proeftuinplek die Zeeland wil innemen. „Zij is erg in voor vernieuwende waterprojecten en is blij met de handreikingen die wij daarbij bieden.“ Ook het plan voor natuurontwikkeling in combinatie met wonen en recreatie bij Perkpolder past daarin.
Vóór zijn gesprek met de bewindsvrouw greep Kramer de ondertekening van de Scheldeverdragen aan om kritiek te uiten op de Tweede Kamer. Hij nam het de regeringsfracties in de Kamer hoogst kwalijk dat zij een voorbehoud maakten bij aanleg van nieuwe getijdennatuur langs de Westerschelde, ofwel ontpoldering.
„Het vervelende is dat veel boeren langs de Westerschelde onnodig langer in onzekerheid blijven over wat er met hun grond gaat gebeuren“, betoogde de gedeputeerde. Hij noemde het opmerkelijk dat minister Veerman (CDA, Landbouw en Natuur) wél de Zeeuwse Staten wist te overtuigen van de noodzaak van nieuwe natuur ’en de woordvoerders van de regeringsfracties niet.’
De gedeputeerde onderstreepte dat de aanleg van nieuwe natuur op landbouwgronden niet per se verlies oplevert voor de agrariërs, ’er worden ook kansen geboden’. Hij wees op de gunstige voorwaarden voor bedrijfsverplaatsing en mogelijkheden voor ontwikkelingsplannen in de regio’s waar ontpolders gaat worden.