Onderstaande notities zijn van Adrie Provoost van het Waterschap Zeeuws Vlaanderen en maakten onderdeel uit van zijn pleidooi tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer op 19 februari 2009 om buitendijks natuurherstel te realiseren. Zie volledige tekening

Natuurontwikkeling Westerschelde.
Uitgangssituatie.
De hedendaagse aanpak van de verbetering van de waterkeringen is het zoeken naar oplossingen in een meervoudig veld van belangen. Wanneer het waterschap een dergelijke problematiek tussen belangen/partijen zou moeten oplossen, zou het volgende zich voordoen. Ieder der partijen zou uitgenodigd worden om hun speerpunten aan te dragen in de te bereiken eindoplossing. Vervolgens blijkt de som der punten veelal groter te zijn, dan dat er mogelijkheden beschikbaar zijn; het vervolg is, dat er per belang ingedikt dient te worden om tenminste een haalbare eindoplossing over te houden.
De Westerschelde.
In dit dossier is het eigenlijk niet anders: door de Ontwikkelingsschets zijn Toegankelijkheid, Veiligheid en Natuurlijkheid eveneens aan elkaar gekoppeld en is het zoeken naar een haalbaar compromis. Daarbij is de techniek van het water keren dusdanig ver gevorderd, dat voor een groot aantal denkbare varianten er een werkbare oplossing te vinden is; hiermee is Veiligheid een onlosmakelijke randvoorwaarde voor welke keuze er tussen de overige actoren dan ook uit komt.
De Toegankelijkheid heeft de harde eis gehonoreerd gekregen om tot 13.00 m te laten verdiepen; over wisselgeld hoor je hier verdacht weinig. Ten opzichte van Natuurlijkheid maakt dat ook relatief weinig uit: de natuurlijke diepte van het estuarium binnen deze dijken zou niet meer dan 8.00 m zijn, dus dat wordt toch al fors overschreden en als zodanig onderhouden. Kennelijk is het speerpunt voor de Natuur het proces om 300 ha zich te laten ontwikkelen (voor 25 jaar?) tot schor. En wel in een landbouwpolder zonder bestemming als Natuur. Het punt is nu, dat de optimale Natuur (Ontpolderen) eigenlijk hoort bij het sectorale belang en dit zou kans maken, wanneer er geen andere belangen in het geding zouden zijn. Daarmee is het rapport Nijpels geplaatst: de verwoording van de sectorale natuuroplossing.
Oplossing.
Geheel in lijn met de waterschapsaanpak van geïntegreerde kustzonebeheer zou de nationale aanpak op dit punt vergelijkbaar kunnen zijn. De optimale Natuuroplossing is te ambitieus in het geheel der functies, maar er is draagvlak voor een 600 ha vergelijkbaar milieu als buitendijkse maatregel.
En: zelfs de morfologen drongen aan op draagvlak, de juristen stemden in met een nationale (en geen Europese regie) en de second-best Natuuroplossing levert een duurzame veiligheid op. Winnaars alom !
Aanleg buitendijks schor Westerschelde Zuid en Noord
De kustlijn van Zeeuws Vlaanderen langs de Westerschelde strekt zich uit tussen Vlissingen/Breskens en Doel is ca 120 km lang. De waterkeringen bestaan uit dijken en grenzen aan de vaargeul met een in hoogte wisselend voorland; dit voorland biedt een natuurlijke bescherming aan de keringen. Is dit hoog gelegen (boven hoog water) dan gaat het om schorren, de lager gelegen slikken staan onder invloed van het dagelijkse getij. De dynamiek in het estuarium – en het menselijk ingrijpen – zorgen voor wijzigingen in deze opbouw, die de waterkeringbeheerder elke 5 jaar beoordeelt op de vereiste veiligheid.
De natuurlijkheid van dit gebied komt het beste tot z’n recht wanneer de verschillende componenten aan elkaar grenzend aanwezig zijn, d.w.z. diep water, ondiep water, slik, schor, dijk en binnenland. Bij de gekende natuurgebieden is dit zo: aan de zuidzijde o.a. het Verdronken Land van Saeftinghe, het Hellegat en het Paulinaschor en aan de noordzijde het schor van Waarde en het Zuidgors. De kwaliteit van een dergelijke cyclus zit hem in de uitwisseling van biotopen en organismen, die garant staan voor een robuust ecosysteem.
Er zijn evenwel een groot aantal kustvakken, waar de component schor in deze cyclus ontbreekt; dit is op die plaatsen, waar de vaargeul direct aan de waterkering grenst (de Everingen, de Pas van Terneuzen, het Middelgat en het Zuidergat bij Walsoorden). Op andere plaatsen, waar bestortingen tussen de vaarweg en de waterkeringen zijn aangelegd, is de ruimte voor schorren volop aanwezig. Kunstmatige aanleg van schor kan hierbij plaatsvinden door het ophogen van het slik met voldoende resistente klei; vanuit België is regelmatig dergelijke klei voor recente uitgevoerde dijkversterkingprojecten betrokken.
Op de kaartbijlage is een verkenning opgezet van dergelijke gebieden aan beide zijden van de Westerschelde. Criterium hierbij is de minimale breedtemaat van het voorland (100 m) als slikken; van de aldus opgespoorde 1350 ha slikkengebied zou 675 ha kunnen worden ingericht als schor met een gemiddelde breedte van 80 m. Een nadere analyse van gebieden of toegepaste criteria zal kunnen leiden tot aanpassing van dit areaal. Een eerste verkenning van de bijbehorende kosten van aanleg worden geraamd op ca € 180 mln.
Deze variant in meermalen ingebracht in de diverse onderzoekscommissies en meermalen afgewezen i.v.m. onvoldoende natuurlijkheid. Te overwegen valt het kader waarin de genoemde ingrepen nader te bezien. De optimale natuurlijkheid van het Schelde-estuarium levert voor de geul een diepte op van 8 m; door de gewenste toegankelijkheid wordt dit op een diepte van 13.00 m gehouden. Het gevolg is, dat alle natuurlijkheid (niet meer dan) een afgeleide hiervan kan zijn. Daarmee is het vervangen van slikken door schorren een afgeleide positieve bijdrage aan de natuurlijkheid.
Op deze manier kan invulling worden gegeven aan een kwalitatieve opwaardering van de bestaande buitendijkse gebieden door het volledig maken van het beoogde biotoop. Een dergelijke kwalitatieve benadering schijnt in eerder stadium met succes te zijn toegepast bij de compensatie van natuurwaarden voor de Maasvlakte II. Daarnaast profiteert de waterkering van de beschermende werking van de aan te leggen schorgebieden. |